Historie van de Oldijk - Ezinge

Deel 30 “Vader leert fietsen”

Ziezo, daar stond vaders Brennabor (fiets van Duits fabricaat). ’t Was wel een damesfiets, maar dat gaf hoegenaamd niets. De fiets had twee goede wielen met goede banden en dit voertuig zou het isolement verbreken.


Nans en Jan hadden nu ook allebei een nieuwe fiets, en in alle toonaarden hadden zij de lof op de fiets bezongen. Waar ze anders een uur over liepen waren ze nu in een goed kwartier. Moeder had nog haar bezwaren.
“Fietsen op zondag” zou zij nooit willen en vader zei nu alleen maar: “tegen die bezwaren valt niet te praten, of je met de fiets naar de kerk gaat of met het rijtuig, dat maakt geen verschil”. Vader had met opzet een damesfiets gekocht, moeder kon zich nog eens bedenken.
Nu moest de kunst nog geleerd!
’t Was op een woensdagavond: Jan en Nans waren er speciaal voor thuis gekomen en Jan zou het vader leren. De Brennabor was al niet meer in zijn eerste jeugd, maar hij straalde stevigheid en degelijkheid uit.
’t Hele gezin stond buiten om dit mee te maken. Jan had zijn jasje maar uitgetrokken, zo’n Brennabor die doortrapte maakte nogal wat kilometers.
Jan had vader op het zadel geholpen en vader begon te trappen en daar ging het. Als gesmeerd ging het van ons huis het dijkje af naar de grintweg
(Oldijk), daar waren de buren ook al getuige van de vooruitgang en hun bijval werkte aanstekelijk.
Ko en ik holden mee en konden vader net bijhouden. ‘t Ging prachtig, alleen had vader het stuur zo krampachtig vast, alsof hij de Brennabor moest bevechten op vele aanvallers.
Daar ging het de Oudedijk af, daar lag niet zoveel grint en zo kwamen we langs onze boerderij. De kinderen van de boer kwamen in hun pyjama’s naar buiten en waren verre van de slaap.
Jan zei: ”nu moet vader maar eens alleen proberen”, en dat ging wel tien meter goed maar toen slingerde de Brennabor heel onverwacht en heel onbehoorlijk en Jan schoot gauw toe, ’t ging net goed.
Nu peddelde vader weer op huis aan en Jan was druk in de weer. Hij duwde, stuitte, hield vast, liet los, zweeg soms en schreeuwde dan weer van opwinding.
Zo ging het een uurtje achter elkaar in de late avondzon. Vader fietste nu al hele einden alleen, kwam in een bocht eenmaal in de berm terecht, maar ’t ging verder goed. Helemaal geen valpartijen en vader had zelfs al geprobeerd met een hand te fietsen.
Moeder was naar binnen gegaan om koffie te zetten. Dat betekende vanavond koffie met koek, zo moest het fietsen-leren waardig gevierd worden.
“Ziezo”, zei Jan, “nu moet u es helemaal alleen naar de boerderij fietsen. Ik ga niet mee”.
Wij holden wel mee, het ging prachtig, vader reed tot voor de schuurdeur van de boerderij. Toen was het afstappen, weer opstappen en daar ging het weer naar huis toe. Zonder fouten verliep het en Jan trok zijn jasje weer aan. De koffie moest nog even trekken en dan zouden we er samen op drinken en de koek zou smaken.
Vader zei: “ik maak nog een ritje naar de boerderij, ik zal de tijd opnemen hoe lang ik er over fiets, heen en terug”.
’t Was kwart voor acht. Vader stapte op en schoot als een wildeman het dijkje af, wij hielden onze adem in. Jan vloog al naar de weg, maar het was al gebeurd.
Vader was met Brennabor en al aan de overkant van de sloot terechtgekomen en stond met druipende broekspijpen aan de overkant; voordat iemand hem kon helpen had hij de fiets weer op de wal gezet en hij stapte maar door de sloot, hij was toch al nat…
’t Liep allemaal goed af en vader stelde vast, toen hij achter z’n kopje koffie zat, dat hij kon fietsen. Dit werd wijselijk door niemand ontkend of bestreden.
Hele plannen werden er nu gemaakt. De familie in de wijde omtrek kon nu met gemak bereikt worden.
In Roden en in de stad
(moeder keek bedenkelijk als ze aan de drukte dacht!) of in Kommerzijl (in Roden woonde Anje Venhuizen, een tante van Geert zijn vader; in Kommerzijl woonde Itje Venhuizen, een tante van Geert zijn vader). Nu was het isolement verdwenen voor vader.
Ko en ik kregen de toezegging dat wij om de beurt mee mochten rijden naar de kerk, op het spatbord, en wij maakten samen in de bedstee uit, dat we zouden doen ”van oudst af aan”.

(Nederlands Dagblad: Gereformeerd gezinsblad van 21 december 1981)

  • Volgende periode